Wout Wilgenburg wordt geboren in het Nederlandse Hoevelaken op drie januari 1944. Debuteert in 1960 als schilder maar gaat al snel over tot beeldhouwen. Wilgenburg zijn toekomst ziet er rooskleurig uit. Vanaf de jaren 1960 stelt hij geregeld tentoon in binnen- en buitenland. Zelfs het Guggenheim Museum in New York erkent zijn genie en besluit in 1970 een expositie aan hem te wijden. Een decenniumlang, tussen de jaren 70 en 80, is hij de best betaalde beeldhouwer van Amsterdam. De bekende dichter en schrijver Simon Vinkenoog opent verschillende tentoonstellingen. Maar dan slaat het noodlot toe. Wilgenburg raakt betrokken in een ongeluk met een slijpschijf. Zijn rechterarm raakt gewond, waardoor hij niet meer kan beeldhouwen. De fysische en psychologische pijn die dit meebrengt, doen hem meer en meer naar zijn pijnstillers grijpen. Hij raakt verslaafd aan morfine. Uiteindelijk overwint hij deze verslaving. Ondanks het feit dat Wilgenburg nog nooit van de stijl gehoord had en er zich volgens hem niet door heeft laten beinvloeden, is de gelijkenis tussen Cobra en Wilgenburg's werken groot. Zijn infantiele manier van weergeven van figuren en gezichten, het gebruik van felle en onvermengde basiskleuren, het vitalisme, de spontane voorstelling en het weergeven van hevige emoties leunt sterk aan bij de manier waarop Cobra-kunstenaars als Appel of Corneille schilderden. Net als zij verwerpt hij het academische en kiest voor het spontane. Zijn beeldhouwwerken zijn veelal organisch van aard en verwijzen vaak naar Atlantis. Vandaag leeft en werkt Wilgenburg in Schaarbeek. Door de grote massa vergeten. Nochtans verdient Wilgenburg opnieuw herkend te worden als wat hij is: een succesvol beeldhouwer en schilder die nog steeds de wereld kan verbazen.